Visies op de toekomst van de verzorgingsstaat.

Posted by admin at January 5, 2015

Category: Uncategorized

Op basis van een Engelse studie waarin er zes ideologische stromingen onderscheiden worden in het huidige debat over de verzorgingsstaat (nieuw rechts of neo-liberalisme, midden of conservatieven/christen-democraten, sociaal-democraten, marxisten, casino spelers, feministen en groenen) zijn Bons&Janssen nagegaan in welke mate dezelfde ideologische scheidingslijnen ook in het Nederlandse debat over de verzorgingsstaat terug te vinden zijn (een hint voor Vlaamse policologen-in-spe om een soortgelijke indeling op te maken voor het Belgische ’debat’, als dit woord al van toepassing is op de coulisse-politiek die we hier gewoon zijn). Zij komen tot de conclusie dat de Nederlandse voorstellen bijna uitsluitend thuishoren op de rechterzijde of in het centrum van het ideologische spectrum. De afwezigheid van een marxistische invalshoek valt op. Nachtans leidt de neo-liberaal geïnspireerde dereguleringspolitiek weer tot een groei van de ongelijkheid en een herstel van de disciplinerende werking van de sociale politiek waardoor – en dat is een wereldwijd fenomeen – proletarisering en verpaupering terug de kop opsteken.

Daardoor wordt een marxistisch geïnspireerde klasse-analyse van de sociale politiek opnieuw actueel. Meer libertair-socialistische bijdragen hebben evenmin invloed. Anarchisten hebben de neiging eenzijdig de nadruk te leggen op het feit dat de verzorgende functie van de staat slechts een aanvulling en/of versterking is van haar repressieve en regulerende functies. Men is blind voor het feit dat de voorzieningen van de verzorgingsstaat ook zekerheid bieden en daardoor tevens een uitvalsbasis kunnen vormen voor onafhankelijkheid en vrijheid aan gene zijde van de vrije markt- en geldeconomie. Zelfs de feministische en groene perspectieven ontbreken nagenoeg geheel, waarschijnlijk omdat hun bekommernissen het enge kader van regelingen rond sociale verzekeringen en voorzieningen grotendeels overstijgen.

Ze slagen er niet in uit hun bredere optieken spraakmakende politieke thema’s te distilleren die aan het debat een andere wending zouden kunnen geven. Men laat zich meeslepen door de accenten die anderen leggen en verzandt daarmee in een defensieve houding die nauwelijks verschilt van de sociaal-democratische positie. De auteurs die het debat domineren etaleren in meerderheid een pakkend geloof in de heilzame werking van de markt. Staat en markt worden meestal tegen elkaar uitgespeeld als incompatibele grootheden: men is ofwel liberaal ofwel socialist. In dergelijke abstracties gaat veel werkelijkheid verloren. De vorming van de verzorgingsstaat kan immers niet losgemaakt worden van de vorming van het marktkapitalisme. De vrijwel markt geworden samenlevingen vereisen voorzieningen om de ontwrichtende werking van marktprincipes op mens, samenleving en natuur te verzachten. Maar onderzoek naar de oorzaken van de ontwrichting behoort tot het domein van de ideologie, een woord dat een pejoratieve klank gekregen heeft, en dat kan en mag dus ook niet langer. Utopieën zijn dood verklaard, behalve natuurlijk de utopie van de markt. Het principe van de markt is onbediscussieerbaar geworden en dus kan er nog enkel geredetwist worden over welk type van markteconomie we willen nastreven. Onder de tafel geveegd wordt het feit dat de ontbinding van de sociale samenhang juist het gevolg is van het weer ontketend zijn van de markt.

Bij radicale hervormingsvoorstellen van de verzorgingsstaat wordt dikwijls gesteld dat de voorzieningen beperkt moeten worden tot de ’echte’ armen, tot de achterblijvers die de kans moeten krijgen zich terug aan te sluiten bij het peloton van de ’normale’ burgers. Bij het beschrijven van maatschappelijke problemen van armoede en werkloosheid wordt het beeld opgeroepen van het persoonlijk falen van mensen: mensen die afhaken, die hun maatschappelijke verantwoordelijkheid niet meer kunnen/willen opnemen, die zichzelf uitsluiten. Het is een sociaal-psychologische benadering die de aandacht afleidt van maatschappelijke processen en structurele problemen en een moralistisch-pedagogisch vingertje uitsteken naar de slachtoffers van deze processen en structuren. Zij moeten gestimuleerd en, indien nodig, gedwongen worden hun mogelijkheden dusdanig te boetseren dat ze terug aan de goeie kant van de samenleving komen te staan, d.w.z. aan de kant van de herstelde werkgelegenheid en welvaart.

De ’Normaalburger’, als spiegelbeeld van de gangbare economie, komt slechts als controleur of als hulpverlener in het zicht, nooit als gangmaker van de uitsluiting waarvoor hij een oplossing pretendeert te bieden.